HomeNieuwsActiviteitenKom langsVoor iederJeugd IVN

Bultkroos - Lemna gibba; Klein kroos - Lemna minor; Puntkroos - Lemna trisulca; Knopkroos - Lemna turionifera; Dwergkroos - Lemna minuta

Het geslacht Eendenkroos omvat vijf soorten en behoort tot de Eendenkroosfamilie. In opmars zijn Knopkroos en Dwergkroos.


Bloei

De onduidelijke en spaarzame bloei komt voor in mei - juni. De meeste voortplanting vindt echter vegetatief plaats door het vormen van knopvormige uitstulpingen (="turions") in twee spleten aan de onderzijde van het plantje (="overwinteringsknoppen").

Leefplek

Op neutraal of wat basisch water met een hoog fosfaat- en nitraatgehalte. Kan tegen vermesting en verontreiniging. Meestal op open ondiep stilstaand of weinig stromend water drijvend. Bultkroos verdraagt brak water en voedselrijkdom het beste en verdringt de andere soorten steeds verder. Vooral in een brede kustzone. Klein Kroos komt ook voor in zuurder water en meer in kleine plassen en poelen, vennen en putten in het binnenland. Het is ook tegen schaduw bestand. Puntkroos zweeft min of meer onder het wateroppervlak en heeft bicarbonaat nodig van basisch water voor zijn CO2-voorziening.

Areaal

Van oorsprong kwam het Kroos in de gematigde noordelijke zone voor. Bultkroos ook in wat warmere gebieden. Nu zijn ze kosmopolitisch verspreid geraakt. Verspreiding vindt plaats door waterbewegingen, wind, vogels, boten, enz.

Naam

De naam "Eendenkroos" is begrijpelijk door het gesnabbel van eenden aan het "kroos" of "kroes" op het wateroppervlak.
Linnaeus gaf de naam "Lemna" aan het plantje. Wellicht had het iets te maken met het eiland Lemnos waar de zegelaarde vandaan kwam waar men in de oudheid bolletjes van draaide voor zegelafdruk. Een andere afleiding kan van het Griekse "Limnè" zijn dat "poel, baai" betekent.
Het "gibba" is Latijn voor "bochel", "minor" is "klein" en "trisulca" wijst naar de "drie voren" op de bovenzijde.


Kenmerk

De levensduur van het individuele plantje is meestal ongeveer 1 maand. In de winter langer! Het hele plantje is een rond of ovaal schijfje ("thallus" = tak en blad ineen) dat aan de onderzijde een draadvormig worteltje draagt. Naast de wortelaanhechting ontstaan twee spleten en van daaruit ontwikkelen zich nieuwe thalli die al spoedig los laten. De wortel fungeert als stabilisator in woelig water.
Puntkroos heeft een afwijkende gegroefde spatelvorm met een versmalde wigvormige voet. Doordat aan de zijkanten nieuwe plantjes groeien die langer blijven zitten ontstaan stervormen en haken de planten min of meer ineen.
Bultkroos (tot 6 mm) is lichtgroen met vaak een rode verkleuring. Het is aan de bovenzijde iets bol en aan de onderzijde sponsachtig bol met 's zomers luchtholten om het drijfvermogen te vergroten. Knopkroos is "rode vlekjes dragend" (=turionifera) op een centrale rij aan de onderzijde.
Klein Kroos is slechts 3-5 mm groot en afgeplat. Dwergkroos ( L. minuta) is nog kleiner (2,5 mm) en "onbeduidend". Kroos bevat veel eiwit en wordt gedroogd voor veevoer. Karperachtigen, watervogels, kreeftachtigen en waterslakken leven ervan. Nu ook in gebruik bij rioolwaterzuivering.

Voor een lijst van alle tot nu toe verschenen plantbeschrijvingen:
Overzicht Nederlandse namen
Overzicht wetenschappelijke namen