Home Nieuws Activiteiten Kom langs Voor ieder Jeugd IVN

Iep (Ulmus)

Biologie

Kenmerkend aan bijna alle soorten iepen is de scheve bladvoet: aan één kant van de steel loopt het blad verder door dan aan de andere kant. Zie tekening, deze is van de fladderiep of steeliep (Ulmus laevis).
De iep bloeit al vroeg in het voorjaar, in maart of april. De bloemen zijn tweeslachtig, d.w.z meeldraden en stampers zitten aan dezelfde bloem. Pas na de bloei komen de bladeren aan de boom. In mei zijn de vruchten rijp. Dit zijn kleine platte nootjes, omrand door een wat groter vliesdun vleugeltje. Ze dwarrelen als ‘iepencentjes’ uit de boom.

Herkomst en gebruik

De iep komt van nature voor in Noord-Amerika, in Europa en vooral in Azië (China). In de 18e en 19e eeuw is de soort op veel plaatsen als sierboom aangeplant. Vooral in de stad deed de boom het goed. In het begin van de 20e eeuw was de iep de meest voorkomende boomsoort in Amsterdam.
Door de beruchte iepenziekte is de iep tegenwoordig grotendeels uit het straatbeeld verdwenen. Tegen deze schimmelziekte, die wordt overgebracht door de iepenspintkever, bleken slechts weinig bomen bestand. Er zijn cultivars gekweekt die resistent zijn maar deze zijn nog niet echt populair geworden.

Iepenhout splijt niet en daardoor is het veel gebruikt voor wagenwielen, meubelen en ook doodskisten. Daarnaast rot het hout niet weg, als het tenminste nat wordt gehouden. Uitgeholde iepenstammen waren in de Middeleeuwen op veel de plaatsen de ‘buizen’ van de waterleiding.

Waar te zien?

Monumentale bomen van deze soort in de gemeente Valkenswaard:
Fladderiepen bij Hoeverdijk 109